TheorieFocus

TheorieFocus Voorrang en voor laten gaan

Examenonderwerp 2 van 8

Voorrang en voor laten gaan: wie mag er eerst?

Bijna elke voorrangsvraag valt om als je hem in de goede volgorde bekijkt. Er zijn vier treden, je loopt ze van boven naar beneden af, en de eerste die iets zegt beslist. Hieronder staan die vier treden, de wetsartikelen erachter, drie kruispunten die wij zelf gebouwd hebben, en acht denkfouten uit onze eigen oefenvragen.

Bijgewerkt 19 augustus 2026 · wetteksten uit het RVV 1990 zoals dat geldt sinds 1 juli 2026


Wat betekent “voorrang verlenen” eigenlijk?

De wet omschrijft het woord zelf, en die omschrijving is scherper dan de meeste mensen denken. Voorrang verlenen is niet “even wachten” en het is ook niet “netjes zijn”. Het is dit:

voorrang verlenen: het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen

RVV 1990, artikel 1

Ongehinderd is het woord waar het om draait. In de praktijk betekent dat: moet de ander door jou afremmen, uitwijken of van richting veranderen, dan heb je hem geen voorrang verleend — ook al is er niets gebeurd en heeft niemand getoeterd.

Een fietser is een bestuurder. Een voetganger niet.

Dit is de tweede omschrijving die je nodig hebt. Overal waar in de voorrangsregels “bestuurders” staat, bedoelt de wet dit:

bestuurders: alle weggebruikers behalve voetgangers

weggebruikers: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen

RVV 1990, artikel 1

Een fietser, een bromfietser, een motorrijder, een ruiter en een trambestuurder zijn dus allemaal bestuurders. Komt er een fietser van rechts, dan gaat die net zo goed voor als een vrachtwagen. Een voetganger valt er buiten: die heeft op een gewoon kruispunt géén voorrang. Wat een voetganger wél heeft, staat verderop bij voetgangers voor laten gaan.

Wat is eigenlijk een kruispunt?

Ook dat woord staat omschreven, en het is ruimer dan het plaatje in je hoofd:

kruispunt: kruising of splitsing van wegen

RVV 1990, artikel 1

Een T-splitsing is dus ook een kruispunt. De regel dat rechts voorgaat geldt daar precies zo, óók voor de bestuurder die uit de zijweg komt rijden.

Een uitrit is géén kruispunt, en daar geldt iets heel anders. Zie de uitklapper Uit een uitrit de weg oprijden verderop.

Voorrang krijg je. Nemen kan niet.

Dit is de regel die altijd geldt en die nooit wint. Hij staat in geen van de vier treden hieronder, want hij wijst niemand aan — hij zegt wat je met je beurt mag doen als je hem hebt.

Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Wegenverkeerswet 1994, artikel 5

De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

RVV 1990, artikel 19

Rijdt de ander toch door terwijl jij voorrang hebt, dan moet jíj remmen. Dat voelt oneerlijk en het is de wet.


Wat gaat voor: de agent, het verkeerslicht of het bord?

Dit is de kern van het hele onderwerp. Op een kruispunt kunnen meerdere dingen tegelijk iets zeggen over wie er voorgaat, en de wet zet ze op een vaste rangorde. Je loopt hem van boven naar beneden af. De eerste trede die iets te zeggen heeft, beslist; alles daaronder telt niet meer mee.

De vier treden waarmee voorrang wordt bepaald Een trap van vier vakken, van boven naar beneden. Trede 1: verkeersregelaar, gaat boven alles, RVV 1990 artikel 84. Trede 2: verkeerslicht, gaat boven bord en streep, RVV 1990 artikel 64. Trede 3: bord en streep, gaan boven de gewone regel, RVV 1990 artikel 63. Trede 4: de gewone regel, rechts gaat voor, RVV 1990 artikel 15. Tussen elke trede staat een pijl naar beneden met de vraag: zegt niets? 1 Verkeersregelaar gaat boven alles RVV 1990, artikel 84 zegt niets? 2 Verkeerslicht gaat boven bord en streep RVV 1990, artikel 64 zegt niets? 3 Bord en streep gaan boven de gewone regel RVV 1990, artikel 63 zegt niets? 4 De gewone regel rechts gaat voor RVV 1990, artikel 15

Loop hem van boven naar beneden. Zodra een trede iets zegt, ben je klaar: wat eronder staat doet er dan niet meer toe. Precies deze volgorde zit in het programma waarmee wij onze kruispuntantwoorden uitrekenen.

De aanwijzing

Een verkeersregelaar of agent gaat boven alles: boven de lichten, boven de borden, boven de regels. Ook als het licht op rood staat, volg je de regelaar.

RVV 1990, artikel 84

Het verkeerslicht

Een werkend verkeerslicht gaat boven de borden en de strepen die de voorrang regelen. Groen mag, rood wacht. Een bord of haaientanden telt dan niet meer mee.

RVV 1990, artikel 64

Het bord en de streep

Borden en strepen op de weg horen bij elkaar. Ze gaan boven de gewone regel dat rechts voorgaat. Haaientanden gelden ook als er geen bord bij staat.

RVV 1990, artikel 63

De gewone regel

Is er niets geregeld, dan gelden de gewone regels: rechts gaat voor, verhard gaat voor onverhard, de tram gaat voor.

RVV 1990, artikel 15
De wettekst achter deze rangorde, woord voor woord

De rangorde staat niet in één artikel. Drie artikelen leggen hem vast, en ze staan verspreid over twee hoofdstukken van het RVV. Hieronder in de volgorde van de treden hierboven, met als vierde het artikel dat zegt dat je een verkeersteken sowieso moet opvolgen.

Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.

RVV 1990, artikel 84

Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen.

RVV 1990, artikel 64

Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.

RVV 1990, artikel 63

Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

RVV 1990, artikel 62
Let op: “licht boven bord” is te grof

Lees artikel 64 nog eens goed. Er staat niet dat het licht boven álle borden gaat, maar boven de verkeerstekens die de voorrang regelen.

Een rood licht heft dus geen inrijverbod op en verandert niets aan een snelheidsbord. Springt het licht op groen bij een straat waar je niet in mag, dan mag je die straat nog steeds niet in.

Dit is een van de twee punten waarop wij onze eigen rekenregels scherper hebben gezet dan hoe het meestal wordt opgeschreven.

Let op: strepen horen bij trede 3, niet bij trede 4

Haaientanden zijn een verkeersteken, geen verkeersregel. Ze werken ook als er geen bord bij staat.

Dat is precies de fout die veel leerlingen maken: “er staat geen bord, dus het is een gelijkwaardig kruispunt.” Nee — liggen er tanden op het wegdek, dan zit je op trede 3 en niet op trede 4.

Dit is het tweede punt waarop wij onze rekenregels scherper hebben gezet.


Voorrang op kruispunten: wie mag er eerst?

Dit is trede 4: er staat geen regelaar, er brandt geen licht, er is geen bord en er ligt geen streep. Zo'n kruispunt heet gelijkwaardig. Wat er dan geldt, staat in één artikel met twee uitzonderingen erachter.

1. Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.

2. Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen: a. bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg; b. bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram.

RVV 1990, artikel 15

Zo ziet dat eruit

De twee kruispunten hieronder zijn van ons. Het eerste is gebouwd naar de Nederlandse richtlijn voor kruispunten zonder voorrangsregeling binnen de bebouwde kom, in een 30 km/h-verblijfsgebied; het tweede is datzelfde kruispunt met één tak onverhard, en dat wijkt bewust van die richtlijn af. Het antwoord eronder is niet opgeschreven maar uitgerekend: het komt uit hetzelfde programma dat de vier treden hierboven afloopt.

Woonwijkkruispunt zonder borden of strepen; een auto onderaan, een auto van links en een fietser bovenaan.

Niets geregeld: rechts gaat voor

Vier gelijke straten, geen voorrangsbord en geen voorrangsstreep. De witte blokken langs de rand horen bij het verhoogde kruispuntplateau; die zeggen niets over wie voorgaat. Jij komt van onderen en gaat rechtdoor. Rechts van jou komt niemand, dus jij mag eerst.

  1. De auto onderaan — mag als eerste.
  2. De auto links — moet wachten op de auto onderaan.
  3. De fietser bovenaan — moet wachten op de auto links.

Let op de fietser: die staat in de rij tussen de auto's, want een fietser is een bestuurder.

Woonwijkkruispunt waar jouw eigen weg onverhard is; op de verharde kruisende weg nadert een auto van links.

Uitzondering a: jij komt van zand

Hetzelfde kruispunt als het eerste, met dezelfde drie weggebruikers. Eén ding is anders: de tak waarop jij rijdt is onverhard; de andere drie zijn dat niet. Kom je van een onverharde weg, dan verleen je voorrang aan bestuurders op de verharde weg — ook als die van links komen.

  1. De auto links — mag als eerste.
  2. De fietser bovenaan — moet wachten op de auto links.
  3. De auto onderaan — moet wachten op de auto links en de fietser bovenaan.

Hier ben jij dus de laatste. Dat is geen ongelukje van de nummering maar precies wat je moet leren.

Waar ligt de grens tussen verhard en onverhard? Dat weten wij niet.

Artikel 15 gebruikt de woorden verhard en onverhard zonder ze te omschrijven. Nergens in het RVV staat waar die grens ligt.

Wij hebben hier een tijdlang een zin gehad die die grens zelf trok. Die klonk goed en is in de rijschoolpraktijk ook gangbaar, maar hij stond nergens op. Hij is op 18 augustus 2026 weggehaald. Wat wél in de wet staat, staat hierboven; de rest niet.

In een vraag zie je het aan het beeld: op de onverharde tak hierboven liggen zandsporen waar op de andere drie takken klinkers liggen. Waar precies de scheiding ligt bij een twijfelgeval kunnen wij niet met een bron beantwoorden, en dan zeggen wij dat liever dan dat wij hem zelf trekken.

De tram gaat voor, ook van links

Uitzondering b uit artikel 15, tweede lid, is de kortste van de twee: bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram.

Dat geldt ook als de tram van links komt. Alleen een regelaar, een licht of een bord voor de tram verandert dat — dat zijn immers de treden erboven.

Uit een uitrit de weg oprijden: dat is géén kruispunt

Dit is de val onder de val. Hierboven staat dat een T-splitsing wél een kruispunt is en dat rechts daar gewoon voorgaat. Een uitrit is dat niet, en daar staat een eigen artikel voor:

Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.

RVV 1990, artikel 54

Kom je uit een uitrit, dan laat je dus al het overige verkeer voorgaan — niet alleen wat van rechts komt, en ook voetgangers. Van rechts komen helpt je daar niets.

Waar het verschil tussen een uitrit en een zijweg precies ligt, staat niet in het RVV. Dat is een gat dat wij niet met een bron kunnen dichten, en daarom staat er hier geen kenmerk bij.

Waarom de fietser in het tweede beeld vóór jou staat

In het onverharde beeld hierboven zet onze regelmotor de fietser vóór de auto op de onverharde tak, terwijl die twee elkaar tegemoet komen en elkaars pad niet kruisen.

Dat volgt uit de tekst van artikel 15, tweede lid: bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg. Daar staat niet bij dat hun paden elkaar moeten kruisen.

En toch is dit een lezing en geen vaststaand feit. Lid 2 heet een uitzondering op lid 1, en lid 1 gaat over verkeer van rechts. Wie die uitzondering ook op een tegenligger toepast, rekt hem verder op dan de opbouw van het artikel afdwingt. Wij rekenen het zo uit; dat je het weet.

Oefen deze twee

De oefenvragen worden hier geladen. Zie je ze niet, dan staan ze ook in de oefenapp.


Als een bord of een streep de voorrang regelt

Zodra er een voorrangsbord staat of er haaientanden of een stopstreep op de weg liggen, zit je op trede 3 en telt “rechts gaat voor” niet meer. Dat is geen uitzondering maar de rangorde: verkeerstekens gaan boven verkeersregels. Let wel op wélke streep: een hartlijn en een kantstreep zijn ook strepen, maar die regelen geen voorrang.

Haaientanden op het wegdek, van bovenaf Bovenaanzicht: een kruisende weg loopt van links naar rechts. Jouw weg komt er van onderen op uit. Dwars over jouw rijstrook ligt een rij witte driehoekjes met de punt naar jou toe gericht. haaientanden jouw rijstrook

De punten van de tanden wijzen naar jou. Dat is het ezelsbruggetje dat op de weg zelf ligt: wijzen ze naar jou, dan ben jij degene die wacht.

Wat die tanden betekenen staat met zoveel woorden in de wet, en er staat geen bord bij genoemd:

Haaientanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.

RVV 1990, artikel 80

De drie voorrangsborden die je het vaakst tegenkomt

Onder elk bord staat eerst wat het van je vraagt, en daaronder de omschrijving die het bord in bijlage 1 van het RVV zelf draagt. Let op het woord dat de wet daar gebruikt: voorrang verlenen.

Een driehoek met de punt naar beneden, wit van binnen met een brede rode rand.

Voorrang verlenen

Je moet alle bestuurders op de weg die je kruist voor laten gaan, van links én van rechts. Is de weg vrij, dan rijd je gewoon door; stilstaan hoeft niet.

Bijlage 1, bord B6: “Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg”

Een achthoekig rood bord met het woord STOP in witte hoofdletters.

Stoppen

Je moet stoppen: echt stilstaan, ook als je goed kunt zien dat er niets aankomt. Daarna laat je alle bestuurders op de kruisende weg voorgaan, van links én van rechts.

Bijlage 1, bord B7: “Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg”

Een gele ruit met een witte rand: een vierkant dat op zijn punt staat.

Voorrangsweg

Je rijdt op een weg waar jij voorrang hebt. Wie uit een zijweg komt, moet jou voor laten gaan. Dat geldt bij elk kruispunt dat volgt, tot je dezelfde gele ruit met een streep erdoor tegenkomt.

Bijlage 1, bord B1: “Voorrangsweg”

Bijlage 1 kent onder hoofdstuk B nog vier voorrangsborden: het einde van de voorrangsweg, en drie borden die een voorrangskruispunt aankondigen — met een zijweg links, met een zijweg rechts, of allebei. Die staan op de bordpagina en niet hier; op deze pagina gaat het om de regel en niet om het rijtje.

Woonwijkkruispunt met haaientanden en een driehoekig bord op jouw tak; een auto nadert op de kruisende weg en er rijdt een fietser.

Nu met haaientanden en borden erbij

Er liggen haaientanden op de weg. Wie daar aan komt rijden, verleent voorrang aan al het verkeer op de kruisende weg.

  1. De auto links — mag als eerste.
  2. De auto onderaan — moet wachten op de auto links, maar niet op de fietser bovenaan.
  3. De fietser bovenaan — moet wachten op de auto links, maar niet op de auto onderaan.

Dezelfde drie weggebruikers uit dezelfde richtingen als bij het eerste kruispunt, maar de weg zelf is anders ingericht: asfalt met fietsstroken in plaats van klinkers, en er is een voorrangsregeling bij gekomen. Dat laatste is wat de volgorde omdraait: haaientanden en de driehoek op jouw tak, en de gele ruit op de kruisende weg.

Tanden zonder bord: telt dat wel?

Ja. De haaientanden betekenen op zichzelf al dat jij voorrang moet verlenen. Er hoeft geen bord bij te staan.

Artikel 80 geeft de tanden hun eigen betekenis en noemt daar geen bord bij. Ze zijn een verkeersteken, net als een bord, en vallen dus onder artikel 63: boven de gewone regel. Wie denkt “geen bord, dus gelijkwaardig”, zit een hele trede te laag.

Dat geldt niet voor élke streep. Een hartlijn of een kantstreep zegt niets over voorrang. Waar het op deze trede om gaat zijn de haaientanden en de stopstreep.

Het verschil tussen de driehoek en de achthoek

Kijk of je moet stilstaan. Bij de driehoek rijd je door als de weg vrij is; bij de achthoek sta je eerst stil.

En daarna vragen ze allebei hetzelfde: alle bestuurders op de kruisende weg voor laten gaan, van links én van rechts. Het stopbord vraagt dus twee dingen ná elkaar, en het tweede is het dingetje dat er in onze eigen vragen als fout antwoord bij staat: “na het stoppen mag ik gaan”.

Oefen deze twee

De oefenvragen worden hier geladen. Zie je ze niet, dan staan ze ook in de oefenapp.


Voor laten gaan bij afslaan

Alles hierboven ging over verkeer op een andere weg: een weg die de jouwe kruist. Er is een tweede regel, en die gaat over verkeer op dezelfde weg. Die twee bijten elkaar niet, want iemand die van rechts komt, komt je niet tegemoet. Ze gelden dus gewoon allebei.

Twee regels, twee soorten verkeer Bovenaanzicht van een kruispunt. Jij komt van onderen en slaat linksaf. Van boven komt een bestuurder je tegemoet over dezelfde weg: op hem slaat artikel 18. Van rechts komt een bestuurder over de kruisende weg: op hem slaat artikel 15. Alle drie de auto's zijn getekend aan hun eigen rechterkant van de weg. jij: linksaf dezelfde weg artikel 18 andere weg, van rechts artikel 15

Twee verschillende regels, twee verschillende groepen. Wie van rechts komt, kruist jouw weg. Wie je tegemoet komt, rijdt op jouw weg. Daarom kunnen ze elkaar nooit tegenspreken.

1. Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.

2. Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan.

3. Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram.

RVV 1990, artikel 18

Waar dit het vaakst misgaat: groen betekent niet dat de weg van jou is. Krijgen jij en de tegenligger tegelijk groen, dan kiest het licht niet tussen jullie — en dan is dit de regel die dat wel doet. Hetzelfde geldt op een voorrangsweg: je voorrang geldt tegenover de zijwegen, niet tegenover verkeer dat recht op je af komt.

Twee dingen die wij hier eerlijk niet dichtkrijgen

1. Wie rechtsaf slaat: wij leggen daar geen plicht op, en dat is een lezing

Lid 1 zegt “bestuurders die afslaan”, en dat is ook wie rechtsaf slaat. Wij leggen alleen de linksafslaander een plicht op, omdat wie rechtsaf slaat aan zijn eigen kant van de weg blijft en de tegenligger nergens in de weg zit.

Wat daar tegenin gaat: lid 2 laat zich óók lezen als de knoop die juist doorgehakt moet worden als lid 1 allebei de afslaanders bindt. Dan zou een rechtsafslaander een tegemoetkomende rechtdoorgaander voor moeten laten gaan. Wij kiezen de smalle lezing omdat de brede lezing twee tegemoetkomende rechtsafslaanders eeuwig op elkaar laat wachten, en dat is op straat geen situatie. Maar het is een keuze en geen vaststaand feit, en dan hoort dat er te staan.

2. “Naast of dicht achter je” rekenen wij niet uit

Lid 1 noemt twee groepen. De tegemoetkomende groep kunnen wij nakijken. De tweede — wie naast je of dicht achter je op dezelfde weg rijdt, bijvoorbeeld de fietser rechts naast je als jij rechtsaf slaat — leggen onze situaties niet vast. Een antwoord dat op ontbrekende gegevens leunt klopt hooguit toevallig, en dat is erger dan geen antwoord.

Op een rotonde is er geen tegenligger — maar afslaan is het wel

Het tegemoetkomende deel van artikel 18 speelt op een rotonde niet. Tussen twee tegenover elkaar liggende takken ligt geen doorgaande weg maar een ring: je komt de overkant nooit tegemoet, je gaat eromheen. Onze rekenregels laten artikel 18 daar dan ook los.

Dat is niet hetzelfde als “artikel 18 geldt daar niet”. Lid 1 gaat óók over verkeer dat op dezelfde weg naast of dicht achter je rijdt, en de rotonde verlaten is afslaan. Wie daarbij een fietser naast zich heeft, zit gewoon in dat deel van lid 1.

Dat deel rekenen wij niet uit — zie de uitklapper hierboven — en of een parallel fietspad langs een rotonde “dezelfde weg” is, kunnen wij niet met een bron beantwoorden. Zeggen dat het niet geldt zou hier dus makkelijker zijn dan het is.


Voetgangers voor laten gaan

Een voetganger is geen bestuurder en heeft op een gewoon kruispunt dus geen voorrang. Op drie plaatsen zegt de wet toch dat je hem voor moet laten gaan, en die staan alle drie in één artikel.

1. Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.

2. Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.

3. Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.

4. Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid, van toepassing is.

RVV 1990, artikel 49

Let op de woorden “kennelijk op het punt staan”. Dat is ruimer dan “al op de zebra”. Iemand die duidelijk staat te wachten om over te steken, laat je dus ook voorgaan. “Hij stond nog op de stoep” is geen verweer.

En lid 4 is de rangorde die je hierboven al kent: staat het voetgangerslicht op rood, dan gaat het licht voor het zebrapad.

De vierde die je voor laat gaan: het voorrangsvoertuig

Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan.

RVV 1990, artikel 50

Merk op dat hier weggebruikers staat en niet bestuurders. Dat is dus iedereen, voetgangers erbij.


Acht denkfouten uit onze eigen oefenvragen

Dit zijn geen verzonnen valkuilen. Ze komen uit drie plekken in onze eigen gegevens: de aantrekkelijke foute antwoorden bij onze oefenvragen, de valkuilen die onze rekenregels per trede meegeven, en de misvattingen die bij onze bordleerstof staan opgeschreven. Bij elke denkfout staat waar hij vandaan komt.

Denkfout 1

Rechts gaat altijd voor.

Rechts gaat voor als er verder niets geregeld is — dat is trede 4, de onderste. Een regelaar, een licht en een bord of streep gaan er alle drie boven. En zelfs op trede 4 zijn er twee uitzonderingen: onverhard wacht op verhard, en de tram gaat voor.

RVV 1990, artikel 15, 63, 64 en 84

Denkfout 2

Bij een bord “voorrang verlenen” hoef ik alleen te wachten voor verkeer van rechts.

Hier gaat iedereen op de kruisende weg voor, ook wie van links komt. De gewone regel van rechts geldt hier niet meer: het bord heeft hem vervangen.

Uit onze bordleerstof en uit de oefenvraag “De blauwe auto komt van links”

Denkfout 3

Ik hoef alleen voorrang te verlenen aan auto's.

Het geldt voor alle bestuurders op de kruisende weg, dus ook voor fietsers, bromfietsers en motorrijders. Een fietser is ook een bestuurder. Een voetganger niet: die heeft op zo'n kruispunt geen voorrang.

RVV 1990, artikel 1; en de valkuil bij onze uitgerekende kruispuntvragen

Denkfout 4

Bij haaientanden moet ik stoppen.

Haaientanden betekenen voor laten gaan, niet stoppen. Is de weg vrij, dan mag je gewoon doorrijden. Stilstaan is wél verplicht bij het achthoekige stopbord, hoe leeg de weg ook is.

Valkuil bij trede 3 in onze rekenregels; en onze bordleerstof

Denkfout 5

Er staat geen bord, dus dit is een gelijkwaardig kruispunt.

Kijk eerst naar het wegdek. De haaientanden betekenen op zichzelf al dat jij voorrang moet verlenen; er hoeft geen bord bij te staan. Ze zijn een verkeersteken, en die gaan boven de gewone regel.

RVV 1990, artikel 80 en 63; en onze bordleerstof

Denkfout 6

Ik heb voorrang, dus ik kan gewoon doorrijden.

Voorrang moet je krijgen, niet nemen. Rijdt de ander toch door, dan moet jij remmen. Kijk dus altijd of hij je echt voor laat gaan.

WVW 1994, artikel 5 en RVV 1990, artikel 19; en onze bordleerstof

Denkfout 7

Ik rijd op een voorrangsweg, dus ik kan zo linksaf slaan.

Nee. Sla je af, dan gaan de tegenliggers op jouw eigen weg eerst. Je voorrang geldt tegenover de zijwegen, niet tegenover verkeer dat recht op je af komt.

RVV 1990, artikel 18; en onze bordleerstof

Denkfout 8

Het blauwe rotondebord zegt dat verkeer op de rotonde voorgaat.

Nee. Dat bord gaat over de rotonde en over de kant die je rond moet rijden. Wie er eerst mag lees je af aan de haaientanden op het wegdek en aan de driehoek op zijn kop. Er is geen artikel in het RVV dat verkeer op de rotonde tegenover verkeer op een toerit afweegt; dat wordt daar geregeld door het bord en de strepen — trede 3 dus.

Onze bordleerstof; en de toelichting bij trede 4 in onze rekenregels

Waar deze denkfouten vandaan komen — en waar niet

Ze komen uit de foute antwoorden in onze eigen oefenvragen, uit de valkuilen in het programma dat onze kruispuntantwoorden uitrekent, en uit de misvattingen bij onze bordleerstof. Wat ze niet zijn: gemeten fouten van echte leerlingen. Er is nog geen account, geen opslag buiten de telefoon van de leerling en geen enkele meting. Zodra dat er wel is, staat het hier.


Oefen het hele hoofdstuk

Dit zijn de vragen die op dit moment in de app staan voor dit onderwerp, rechtstreeks uit dezelfde gegevens. Zit er een vraag bij die verandert, dan verandert hij hier mee — er staat hier geen tweede voorraad.

De oefenvragen worden hier geladen. Zie je ze niet, dan staan ze ook in de oefenapp.

Verder oefenen zonder account

In de app krijg je rondes van twintig vragen, met bij een fout antwoord de uitleg erbij — en waar wij die hebben, de reden waarom jouw antwoord het niet was.

Aan de slag

Veelgestelde vragen over voorrang

Gaat rechts altijd voor?

Nee. Rechts gaat voor als er verder niets geregeld is. Een verkeersregelaar, een verkeerslicht en een bord of streep op de weg gaan er alle drie boven. En zelfs als er niets geregeld is, kent artikel 15 twee uitzonderingen: wie van een onverharde weg komt laat verkeer op de verharde weg voorgaan, en de tram gaat voor.

Heeft een fietser voorrang?

Een fietser is een bestuurder, net als een automobilist. Voor hem gelden dus dezelfde voorrangsregels: komt hij van rechts op een kruispunt waar niets geregeld is, dan gaat hij voor. Regelt een bord of een streep de voorrang, dan telt hij mee als al het andere verkeer op de kruisende weg. Een voetganger is géén bestuurder en heeft op zo'n kruispunt geen voorrang.

Moet ik bij haaientanden stoppen?

Nee. Haaientanden betekenen voor laten gaan, niet stoppen. Is de weg vrij, dan mag je gewoon doorrijden. Stilstaan is wél verplicht bij het achthoekige stopbord, ook als de weg helemaal leeg is.

Gelden haaientanden ook als er geen bord bij staat?

Ja. Artikel 80 van het RVV 1990 geeft de haaientanden hun eigen betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Er wordt geen bord bij genoemd. Haaientanden zijn een verkeersteken, net als een bord, en die gaan boven de gewone verkeersregels. Let op: dit geldt niet voor elke streep op de weg — een hartlijn of een kantstreep regelt geen voorrang.

Wat gaat voor: het verkeerslicht of het bord?

Het verkeerslicht. Artikel 64 van het RVV 1990 zegt: verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen. Let op het laatste stuk van die zin: het licht gaat boven de tekens die de VOORRANG regelen. Een rood licht heft geen inrijverbod op en verandert niets aan een snelheidsbord.

Moet ik een verkeersregelaar volgen als mijn licht groen is?

Ja. Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels; dat staat in artikel 84 van het RVV 1990. Ook als het licht op rood staat, volg je de regelaar.

Ik rijd op een voorrangsweg en wil linksaf. Mag ik voor de tegenligger?

Nee. Sla je af, dan gaan de tegenliggers op jouw eigen weg eerst. Je voorrang geldt tegenover de zijwegen, niet tegenover verkeer dat recht op je af komt. Dat is artikel 18: bestuurders die afslaan moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt voor laten gaan.

Wat is het verschil tussen voorrang verlenen en voor laten gaan?

Voorrang verlenen is in artikel 1 van het RVV 1990 omschreven: het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen. Voor laten gaan is in dat artikel niet omschreven; wij lezen het daarom als wat het zegt: laat ze voor je gaan. In de wet staat voorrang verlenen bij kruisend verkeer en voor laten gaan onder meer bij afslaan, bij voetgangers op een zebrapad en bij voorrangsvoertuigen.


Waar dit hoofdstuk vandaan komt

Elke inhoudelijke zin op deze pagina komt uit een van vijf plaatsen: de wettekst zelf; het programma waarmee wij kruispuntantwoorden uitrekenen; onze eigen oefenvragen en bordleerstof; de normdocumenten waarmee wij onze kruispunten hebben gebouwd; en het examenplan van het CBR, waar de indeling in acht onderwerpen vandaan komt. Er is niets bijgeschreven om het verhaal rond te maken.

De wetsartikelen die hierboven staan

  • RVV 1990, artikel 1 — wat voorrang verlenen betekent, wie een bestuurder is, wat een kruispunt is.
  • RVV 1990, artikel 15 — rechts gaat voor, met de twee uitzonderingen.
  • RVV 1990, artikel 18 — voor laten gaan bij afslaan.
  • RVV 1990, artikel 19 — stoppen binnen de afstand die je kunt overzien.
  • RVV 1990, artikel 49 — voetgangers voor laten gaan.
  • RVV 1990, artikel 50 — voorrangsvoertuigen voor laten gaan.
  • RVV 1990, artikel 54 — uit een uitrit de weg oprijden en andere bijzondere manoeuvres.
  • RVV 1990, artikel 62 en 63 — verkeerstekens opvolgen, en dat ze boven de verkeersregels gaan.
  • RVV 1990, artikel 64 — verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen.
  • RVV 1990, artikel 80 — wat haaientanden betekenen.
  • RVV 1990, artikel 84 — aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.
  • RVV 1990, bijlage 1, hoofdstuk B — de omschrijvingen van de voorrangsborden.
  • Wegenverkeerswet 1994, artikel 5 — geen gevaar veroorzaken en het verkeer niet hinderen.

Overgenomen van wetten.overheid.nl, regeling BWBR0004825 (RVV 1990) en BWBR0006622 (WVW 1994). Het RVV geldt in deze vorm sinds 1 juli 2026; geen van de artikelen hierboven is daarna gewijzigd. Woord voor woord nagekeken op 19 augustus 2026 tegen de kopie die wij van die regelingen bewaren.

Die kopie is na te lopen. Beide regelingen staan onbewerkt in ons project opgeslagen, in de map wetsbron, precies zoals wetten.overheid.nl ze op 19 augustus 2026 gaf, met de versieregel “Geldend van 01-07-2026 t/m heden” erbij. Naast elke kopie staat wanneer hij is opgehaald en met welke controlecode hij binnenkwam. Elk artikel dat wij hierboven noemen is uit die kopie gelicht en niet overgetypt, en een programma legt wekelijks onze kopie naast de website om te zien of er iets gewijzigd is.

Eén ding hoort hier ook te staan, want het is op dezelfde dag gevonden: ons eigen programma noemde bij de bovenste trede artikel 65. Dat is het artikel over rijstroken; de rangorde staat in artikel 84. Op deze pagina staat het goede artikel, en de fout in het programma is gemeld.

De antwoorden bij de kruispunten zijn uitgerekend, niet opgeschreven

De volgorden onder de drie beelden komen uit ons eigen programma. Dat loopt de vier treden hierboven van boven naar beneden af en zegt per weggebruiker wie er wanneer mag. Komt het er niet uit — en dat gebeurt, bijvoorbeeld bij twee tegenliggers die allebei linksaf slaan — dan zegt het dat, in plaats van er alsnog iemand aan te wijzen.

De drie kruispunten zijn van ons

Het eerste is gebouwd naar de Nederlandse richtlijn voor kruispunten zonder voorrangsregeling binnen de bebouwde kom, in een 30 km/h-verblijfsgebied. De andere twee zijn datzelfde kruispunt met met opzet één ding anders: een onverharde tak, of een voorrangsregeling erop. Die twee zijn dus juist géén kruispunt zonder voorrangsregeling meer, en dat is de bedoeling.

En dan het stuk dat de meeste sites zouden weglaten: er bestaat geen landelijke telling van hoeveel kruispunten in Nederland gelijkwaardig zijn. Wij hebben ernaar gezocht en die is er niet. Onze vorm is dus de best onderbouwde keuze, en niet aantoonbaar de gangbaarste.

Wat wij niet weten, en dus niet opschrijven

  • Waar precies de grens ligt tussen een verharde en een onverharde weg. Het RVV omschrijft die woorden niet.
  • Of artikel 18, eerste lid, ook een plicht legt op wie rechtsaf slaat. Wij kiezen de smalle lezing en zeggen erbij dat het een lezing is.
  • Wie er naast of dicht achter je rijdt op dezelfde weg. Onze situaties leggen dat niet vast, dus rekenen wij die helft van artikel 18 niet uit.
  • Of artikel 15, tweede lid, ook geldt tussen een tegenligger en jou als jullie paden elkaar niet kruisen. Wij rekenen het zo uit en zeggen erbij dat het een lezing is.
  • Waar het verschil zit tussen een uitrit en een zijweg. Het RVV omschrijft dat niet, en het maakt wel uit welk artikel geldt.
  • Hoe vaak leerlingen deze fouten echt maken. Wij meten niets van wie oefent.